|
Patiënt
ziet zichzelf in het portrettenkabinet van Bart Drost
GGZ NML heeft een boekje uitgegeven met tekeningen van de creatief
therapeut Bart Drost. Het is een keuze uit de vijftig portretten van
cliënten die opgenomen waren in de kliniek voor Neuropsychiatrie. De
portretten, groot 100 x 100 cm, zijn t/m 27 april 2008 te zien in het
Museum Dr. Guislain te Gent.
Er is iets mis met dit boekje. Allereerst is het te mooi. Het grijze
linnen bandje laat zich strelen en dan voel je in reliëf de titel: ‘Bop,
Bep, Bas en de anderen: een portrettenkabinet van Bart Drost’. Wie ze
zijn, en ook wie Bart is, vertelt de brief achter in het boekje, eerlijk
en zonder een woord jargon. De portretten worden ‘reconstructies van
ontmoetingen met patiënten’ genoemd. Uit het hoofd. Uit het speelse en
vriendelijke hoofd van Bart Drost.
Maar er is iets mis met dit boekje. Behalve dat het te mooi is, is het
ook te intiem. De grote portretten zijn verkleind tot 13,5 x 13,5 cm. Zo
verkleind in één boekje lijken ze ondanks al hun gruwelijkheid bij
elkaar te horen. En ze lijken gek: als je niet beter wist zou je denken
dat ze door een patiënt getekend waren. Een patiënt met echt talent, dat
wel, en die zijn zeldzaam. De portretten zijn allemaal anders, allemaal
zwartgrijs maar met kleurige attributen die ze spannend maken. Bijna
niemand kijkt vrolijk. Men staart voor zich uit of de blik is naar
binnen gericht. Men zet grote ogen op van angst. Daarom was het voor
Bart telkens een opgave ons creatief te krijgen. Ik herinner me van de
bezoeken aan de Creatieve therapie: Bart die je altijd blijmoedig een
hand gaf, de kasten met materialen, de laden met grote vellen dun papier
waarop ik vaak niet meer wist te tekenen dan een mannetje die een berg
beklom, en de ronde tafel waar de meesten aan zaten. Lies* die met
precisie figuurtjes beschilderde, Henk die trouw mandala’s inkleurde,
Anja die een beetje aquarelleren kon en voortdurend Barts hulp inriep,
en Bart die voortdurend met ideeën en materialen kwam als iemand dreigde
te verzanden en het hoofd weer liet zakken of ging ijsberen door het
atelier of begon te huilen…
Er is iets mis met deze portretten. Ik heb bijna vijf maanden in de
kliniek voor Neuropsychiatrie doorgebracht en ik herken niemand. En ik
heb er ook niet één gek ontmoet en ook nooit iets geks gehoord. De
gesprekken - de trage gesprekken - werden meestal in de rookruimte
gevoerd, toch een beetje een gewijde ruimte. Ik ging er vaak zitten voor
de intimiteit die je ergens anders miste hoewel ik nooit rookte. Er
waren depressieve vrouwen, zoals die vrouw met dat dode vogeltje op haar
hoofd. (Er is een populair boekje over depressies met de titel ‘Ik zie
elk dood vogeltje’, maar het kan dus nog erger.) De borsten bij de
vrouwen van Bart hangen een beetje, maar bij eentje worden ze de
appeltjes van oranje en straalt de knappe vrouw. En dan is er de negerin
die met de mond schildert: de penselen waar de kleuren afspatten worden
bijna vermalen. Ik heb haar helaas nooit ontmoet. Je zoekt gelijkenissen
en die vind ik niet. Die heeft alleen Bart gezien. Toch zeggen ze meer
over de patiënten dan de woordenrijke diagnoses die ze mee naar huis
krijgen en die gevoegd worden in de dossiers die ze meeslepen.
Natuurlijk zijn ze bang, verdrietig, wanhopig of ‘gewoon op’. Of horen
ze soms stemmen, of wordt Frans zo gek van het gefluit in zijn hoofd dat
hij een felrode vlam penseelt groter dan 100 x 100 cm.
Ik ben al meer dan een jaar weg uit Venray en wil er niet teveel aan
denken, maar dit bijzondere boekje bewaar ik – na alles wat ik
verscheurd heb – als goede herinnering. En, ze zeggen, dat ik er zelf
ook in sta: dat mannetje met dat brilletje en die scheiding die doods
voor zich uitkijkt, tot het uiterste gespannen. Op pagina 16. Misschien
ben ik dat wel. Ik kan nu weer een beetje lachen. Het was toch een goede
tijd bij Bart, als je maar niet zo ziek was geweest.
E.S.
* Namen zijn gefingeerd.
|