Margo van Neuren, WereldOuders

Hoe ben je op het pad gekomen van WereldOuders?
Op internet. Ik was eigenlijk gewoon op zoek naar werk als creatief therapeut. Op Internet zag ik in januari een vacature, waarvan ik dacht: o, wat leuk! Maar ik dacht meteen: ik heb nog werk, en dat kan ik ook helemaal niet, dertien maanden in zo’n land. En ergens in april of mei – mijn werk zou aflopen eind mei – zag wéér die vacature. En toen dacht ik: ja, dat ben ik.Ik voelde me heel erg aangesproken. Omdat ik daar weer tegenaan liep, terwijl ik helemaal niet op zoek was naar vrijwilligerswerk. Toen ik dacht aan alle papieren die ik in moest vullen dacht: nou, dat weet ik niet hoor, maar op een of andere manier had ik al het gevoel dat ik dat moest gaan doen. Maar ik dacht ook: dat kan ik niet, zo lang.
Toen ben ik op gesprek geweest en ik ben er in mijn hoofd heel erg mee bezig geweest, maar volgens mij had ik van binnen al lang besloten. Vandaar dat ik uiteindelijk zo snel ben gegaan. Iedereen was heel verbaasd. Ga je echt? Ze vonden het te gek voor woorden dat ik zo snel zou vertrekken. Maar ik ben gewoon gegaan. En dus ook vrijs nel omdat ik die Spaanse cursus nog moest doen. Dus toen ik klaar was met werken had ik nog een week de tijd om al mijn spullen te pakken, gedag te zeggen en op het vliegtuig te stappen.
Nu ik terug ben denk ik wel: wie doet er nu zoiets geks. Het overviel mezelf ook wel ja. Ik kan me niet meer voorstellen dat ik zoiets nog eens zou doen. Maar het gebeurde gewoon. Ik had het geregeld, het was rond en ik had er diep van binnen waarschijnlijk wel een goed gevoel over, anders had ik het nooit gedaan.

Kun je terughalen wat voor plaatje je in je hoofd had van het werken daar? Waarom dacht je dat je dit moest gaan doen?
Eigenlijk had ik daar helemaal niet zoveel zicht op. Ik had met Jacomijn (?) gesproken, die had er heel veel over verteld en was heel enthousiast en ik dacht: okee, we gaan het gewoon doen en ik zie wel wat het is. Ik had er niet echt een beeld bij. Je kunt je er geen voorstelling van maken. En je gaat gewoon. En dan kom je daar en dan laat je het gewoon over je heel komen.

Wat heb je gestudeerd?
Creatief therapeut beeldend. In het algemeen werk je dan vaak in instellingen als psychiatrische instellingen, met kinderen, jeugd, volwassenen, ouderen... van alles. Of mensen die psychische problemen hebben, bijvoorbeeld in asielzoekerscentra, in het speciaal onderwijs, om kinderen of ouderen te helpen om hun leven meer op de rails te krijgen. Het kunnen lichtere of zwaardere problemen zijn. En dat doe je dan met beeldende materialen. Tekenen, schilderen, kleien, hout... van alles wat je maar kunt bedenken. Op een non-verbale manier ga je met mensen aan de slag, om hen dingen over zichzelf te leren, hoe ze dingen aan kunnen pakken. Door heel praktische met dingen bezig te zijn, kun je mensen iets over zichzelf leren.

Had je in gedachten dat je in het buitenland zou gaan werken?
Nee, lang geleden had ik wel het idee dat dat mooi zou zijn, zo een paar weken mensen helpen. Om iets te bouwen bijvoorbeeld. Maar dertien maanden, nee. Ik kan ook niet goed verklaren waarom ik het nou gedaan heb. Ik ben echt op mijn gevoel afgegaan. Ik snap het eigenlijk nog steeds niet. Het komt een beetje uit het niets. Ik wil wel graag goede dingen doen en mensen helpen, maar dertien maanden daarheen gaan, dat was wel een verrassing. En het is zo goed bevallen dat ik nu zeg dat het wel bij me paste. Maar dat ik het niet wist, of gewoon niet aandurfde.

Dan komt het moment dat je op het vliegveld bent en afscheid neemt en op het vliegtuig stapt... Hoe voelde dat?
Dat was verschrikkelijk. Ik was nog maar in Spanje en toen verstond ik het al niet meer. Ik zat in het vliegtuig met Nederlandse mensen en ik stapte uit en toen snapte ik er niets meer van. Ik vond dat echt eng. En toen zag ik een man lopen die op zijn ticket had staan Peresuna (?) en daar ben ik achteraan gelopen. Zo ben ik in het goede rijtje gekomen. Waar ik weer op moest stappen. In het vliegtuig zat ik toen naast een man die sprak Spaans en Italiaans en Frans en die wilde heel graag communiceren. En ik sprak Nederlands en Engels en Duits. Dus dat was heel grappig. Met tekenen en al hebben we gecommuniceerd die hele reis. En toen kwam ik daar aan, en dat was vond ik zo eng. Ik kon geen woord Spaans. En ik had speciaal een hotel geboekt waarvan ik wist dat ze Engels spraken. Die hebben me op een taxi gezet naar de juiste bushalte en ik ben op de bus gestapt en toen stapte ik uit in Copan (?) waar ik de talencursus zou doen en daar werd ik zo vriendelijk ontvangen. Die vrouw sprak geen woord Engels, maar ze wist dat ik Margo was en ze heeft me bij die familie afgezet en de eerste paar dagen heb ik bijna niet kunnen communiceren. Ik heb mijn woordenboekje uitgelegd dat ik vegetarisch was en dat ik die talencursus ging doen. Maar op een gegeven moment leer je woordjes en dan komt het in een keer op gang. Je ontmoet daar op zo’n talencursus natuurlijk wel mensen uit andere landen, dus daar kun je dan mee communiceren.
Ik ben daar heel goed opgevangen. Ik heb het gevoel dat er allemaal engeltjes om me heen hebben gestaan. Die familie was heel lief voor me, die heeft zo goed voor me gezorgd en nam me overal mee naartoe, op school had ik een lerares die ook super was. Die heeft me zo geholpen. Daarna ben ik dan naar (...) afgereisd. Daar ben ik met open armen ontvangen. Daar was het precies hetzelfde. Ik heb echt het gevoel dat iemand voor me gezorgd heeft dat ik die reis helemaal kon afleggen.

De taal was het grootste probleem?
Ja, je bent in een ander land, dat je niet kent en je verstaat niet. Mensen vroegen ook wel over Honduras, kun je daar wel heen, is dat niet gevaarlijk? Daar is toch oorlog en zo? En ik wist daar eigenlijk niet zo goed antwoord op; zei zoiets van: dat zit allemaal wel goed, ze sturen daar niet zomaar vrijwilligers naartoe. Ik praatte dat zomaar goed,maar van binnen was ik er natuurlijk wel onrustig over.

Toen je eenmaal de taal spraak, ging het toen beter?
Ja, ik had de cursus vrij kort gedaan, maar dat had allemaal met het tijdsbestek te maken. Er was gewoon geen tijd om een langere cursus te doen. Maar ik heb het daar vooral geleerd van de kinderen. Je bent daar met de kinderen en die leren het je wel. Of je het nou wilt of niet. De kinderen zijn wel gewend dat er vrijwilligers komen die niet al te goed Spaans spreken. Dus die repeteren dan wel woordjes met je. En als je het de dag erna weer vergeten bent, dan zorgen wel dat je het alsnog leert. Woorden komen heel veel terug en dan komt dat vanzelf. Je moet ook wel. Ik had ook het geluk – zeg ik achteraf, toen vind het helemaal niet zo gelukkig – dat er geen andere Nederlanders zaten. Dus ik moest wel. In het Spaans of in het Engels. Dus die twee talen zijn enorm ontwikkeld. En mijn Nederlands is een beetje achteruit gegaan. Maar dat is heel goed geweest. Veel Amerikaanse vrijwilligers praten bijvoorbeeld nog met elkaar in het Engels; dat is natuurlijk het makkelijkst. Maar ja, het kostte mij allemaal moeite. En mijn Oostenrijkse kamergenootje zei: je moet met mij gewoon in het Spaans kletsen, dan leer je het het makkelijkst. Dat vond ik heel moeilijk. Lekkere kamergenoot ben je. Maar ik heb het wel geleerd en daar ben ik haar heel dankbaar voor.

Je vertelt er heel makkelijk over; heb je je ook onprettig gevoeld?
O, jawel. Zeker in het begin, de eerste drie, vier maanden waren heel zwaar. Door de taal, door alles wat nieuw was. En ik had dat stukje creatieve therapie, dat geweest was, maar wat weer weggezakt was. Dus dat moet weer helemaal opgestart worden. Zo gaat dat nu eenmaal. Als vrijwilligers weg gaan en er komt een poosje niemand voor in de plaats, dan gaan ze gewoon iets anders doen. Ik heb daar dus weer mijn plek moeten vinden, een werkplek moeten vinden, moeten bewijzen: wat is creatieve therapie en wat doe ik precies? En dat dan met mijn halve Spaans. Dat was heel zwaar. Dus ik heb in het begin heel veel moeite gehad. Veel vrijwilligers komen in een gespreid bedje en die lopen dan heel enthousiast rond: o, het is allemaal zo leuk. Maar ik wist nog niet of ik die eerste maanden wel door zou komen. Ik vond het zo moeilijk. Ik lag vroeg op bed en ik was versleten aan het eind van de dag. Dat heeft me heel veel gekost. Veel tranen gelaten in het begin.

Wat was het moment dat je je draai begon te vinden?
Toen ik er een half jaar was ongeveer. Dan ga je de kinderen beter kennen, je leert er ook steeds meer kennen, en ook de Hondurese mensen die daar werken, dus je krijgt ook weer wat bredere contacten dan alleen de vrijwilligers. Mijn werk liep op rolletjes; daar had ik flink in geïnvesteerd en daar ging ik toen echt de resultaten van zien. Ik had een groep waar ik ’s avonds dan altijd kwam, dat doe je dan eigenlijk naast je werk, dat is een groep waar je altijd mee eet en na het eten spelletjes doet, dus dat worden dan echt een beetje jouw kinderen. Er zitten er vijfhonderd, dus daar kun je niet met allemaal mee optrekken. Dit waren echt mijn jongens en ik vond het heerlijk om daar de tijd mee door te brengen. Dat zag ik ook helemaal niet als werk. Dat was echt thuis. Dat heeft er ook wel toe bijgedragen dat ik uiteindelijk langer ben gebleven. Na een jaar had ik zoiets: nu ben ik er, ik moet nu niet weg gaan. Daarom ben ik toen een half jaar langer gebleven.

Dat werk... wat doe je als creatief therapeut?
Je werk daar vooral met de kinderen. Veel kinderen die daar binnenkomen, niet allemaal maar wel veel, komen uit situaties van extreme armoede, met veel gewelddadigheid. Lichamelijk en psychisch verwaarloosd. Dus veel kinderen hebben een beetje een traumatische achtergrond. Die komen daar dan binnen, komen in een grote groep. De één kan daar wel mee omgaan en de ander niet. De één wordt heel druk, wil alleen maar vechten, en andere kinderen trekken zich terug, die hoor je nooit, zijn altijd afwezig. Ieder kind uit dat weer anders. Dat zijn dan de kinderen die worden eruit gelicht en die krijgen creatieve therapie. Wat doe je dan? Met die beeldende materialen probeer je kinderen iets te leren over henzelf. Wie ben ik nou? Mijn jongste was vier jaar en mijn oudste was 29. Sommigen moeten leren dat ze de moeite waard zijn, dat ze niet niks waard zijn. Anderen hebben geleerd om voor al hun broertjes en zusjes te zorgen die hebben nooit geleerd om te spelen of om te genieten van dingen. Plezier maken. Dus dan ga je dat aanpakken. Andere kinderen zijn zo druk, die moet je leren structureren. Die leer je om dingen rustig stap voor stap te doen. Rust te vinden voor zichzelf. Iets maken waar ze trost op zijn. Heb ik dat gemaakt? Veel kinderen voelen zich heel waardeloos. Zo zijn er heel veel verschillende problematieken waar je door samen bezig te zijn aan probeert te werken. Er is ook heel veel verdriet. Dingen die ze mee hebben gemaakt, die ze gezien hebben. Dan zijn ze aan het werken, en dan kijken we allebei naar ons werk, dat voelt dan heel veilig, en dan schrik je soms van de verhalen die ze plotseling vertellen. Dan zit je met je tranen in je ogen dat aan te horen.
Er zijn ook kinderen die gewoon achterlopen in hun ontwikkeling. Die zijn nooit naar school geweest en dan probeer je in het beeldend werk daar wat aan te doen, de motoriek te stimuleren. Daar groeien ze dan ook weer in, als ze dingen leren, heeft dat meteen uitwerking op hun gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen.

Hoe zag jouw dag eruit?
Ik plakte mijn therapieblokken altijd aan de schooltijden. Op maandag en dinsdag werkte ik van half acht tot vier uur ‘s middags. En om zes uur begon je dan op je groep, tot een uur of acht, half negen. Iedere vrijwilliger had een eigen groep waar hij elke avond kwam. Woensdag tot en met vrijdag was er tot een uur les, dus ’s middags had je dan vrij tot zes uur. En dan werkte je één weekend in de twee weken, met je eigen groep. Vrijdagavond, zaterdag ging je vaak mee met werken, kleren wassen, kerkdienst op zaterdagmiddag, ’s avonds weer activiteiten, en op zondag was je dan vrij. Dus een druk weekje.

Die manier van zorg geven is niet de eerste levensbehoefte in een ontwikkelingsland.Moest je daar ruimte voor afbakenen?
De meningen daarover zijn heel verschillend. Als ik terugkijk hoe ik daar gestart ben heb ik me echt een plekje moeten verwerven. Heb ik moeten laten zien: wat is creatieve therapie en waar draagt dat toe bij? Op het moment dat dat voor hen duidelijk werd, stonden ze er helemaal achter. Ik heb er daarom veel in geïnvesteerd, veel laten zien wat ik deed, ook aan de leraren werkstukken late zien en heel praktisch laten zien hoe ik dat aanpakte. En ook wat daar dan het therapeutische aan is. Ik denk dat ik daardoor wel een stuk begrip heb gekregen en dat ze ook zijn gaan zien hoe belangrijk dat is. Dat is in het weeshuis ook een proces. Er zijn natuurlijk al psychologen, die hebben al een plekje, en mijn stukje heeft nu wel terrein gewonnen, omdat ik er zo in geïnvesteerd heb. Maar ja, als je in het algemeen in Honduras kijkt, dan zijn de primaire behoeften vooral overleven. Therapie is mooi, maar je moet eerst te eten hebben. Dat ligt daar natuurlijk niet voor de hand. Maar nu hebben we die mogelijkheid, en dan kan het ook heel goed zijn. En ook noodzakelijk voor die kinderen dat zoiets er is, dat ze beter kunnen functioneren en straks in de toekomst ook beter vooruit kunnen.

Als je een traumatische jeugd hanteerbaar kunt maken – je kunt het niet oplossen of weghalen, maar je kunt ze wel leren om ermee om te gaan – dan is dat heel wat. En dat draagt eraan bij dat zo’n kind straks een voorspring heeft. In die zin is het ook heel bijzonder dat wij daar die creatieve therapie kunnen bieden. Als die therapie er niet was geweest, was zo’n kind op eigen kracht ook wel ergens gekomen, maar dan was het allemaal op haarzelf aangekomen. En nu kun je zo’n kind een zetje geven in de goede richting. Dat kunnen we nu bieden. Kijk, in Honduras is therapie heel uitzonderlijk. En die mensen overleven ook allemaal. Maar je wilt soms niet weten hoe, en wat ze allemaal meemaken. Het is natuurlijk ook heel Europees;wij zijn gewend om voor alles therapie te hebben om er weer bovenop te komen. Maar in het weeshuis is het zeer welkom. En het heeft nu ook zijn plek gekregen. Ik denk dat dat heel mooi is dat wij dat kunnen leveren.

Voor hoeveel kinderen heeft het uitgemaakt dat jij daar was?
O, dat zou ik niet kunnen zeggen. Want het gaat niet alleen om therapiekinderen. Er zijn zoveel kinderen met wie je samen bent geweest. Ik vind het altijd moeilijk om te zeggen of ik ook echt iets heb bijgedragen. Ik heb mijn best gedaan, ik heb mijn dingen gegeven, maar ik heb ook heel veel teruggekregen. Soms denk ik wel eens dat meer heb gekregen dan ik zelf heb kunnen geven. Ik heb heel veel van de kinderen geleerd. Je wilt natuurlijk voor zoveel mogelijk kinderen iets betekenen, en je doet je best maar je bent beperkt. Misschien gaat het het ene oor in en het andere uit, maar misschien blijft er ook wat van hangen. Bedenkt zo’n kind over veertig jaar wat ze in therapie heeft gedaan en valt plotseling alles op zijn plaats. Ik weet het niet. Ik heb die therapie gegeven en ik heb gezien dat veel kinderen er iets van geleerd hebben. Maar hoe dat in de toekomst gaat verlopen, dat is afhankelijk van het kind zelf en van zijn verder leven. Ja, en hoeveel kinderen ik dan geholpen heb van die vijfhonderd, ja dat weet ik niet. Het belangrijkste is dat ik er in dat stukje van hun leven voor hen ben geweest en dat ik in dat moment in hun leven een bijdrage heb kunnen leveren. Iets goed heb kunnen meegegeven. Maar ik kan natuurlijk geen garantie geven...

Wat heb jij van hen geleerd?
Een hele hoop. Hoe je met dingen omgaat... ze hebben me ook geleerd om anders naar dingen te kijken. Het is moeilijk uit teleggen. Je komt daar als Europese en dan zie je hoe die kinderen met elkaar omgaan. Ze hebben heel weinig, maar ergens hebben ze het zo goed. Ondanks het feit dat ze in onze Europese ogen bijna geen privacy hebben, met heel veel op een kamer slapen, zelf hun kleren moeten wassen en dat soort dingen. Dan denk je: o, wat erg. En die kinderen zijn alleen maar blij dat ze daar zijn. Dat er niet wordt geslagen, dat ze een soort familie hebben. Mensen die voor ze zorgen. Dan denk ik: wat asociaal van mij om dat eerst af te keuren. Dan voel je: wij zijn in Europa zo verwend! Toen ik terugkwam en jarig was, vond ik het gewoon helemaal niet leuk om zoveel cadeaus te krijgen. Hoe luxe wij het hier hebben... daar ben ik wel anders naar gaan kijken. Tevreden te zijn met kleine dingen, dingen veel meer te waarderen, me niet meer zo druk te maken over kleine onnozele dingen. We worden boos om alles, altijd ontevreden, snel schelden. Terwijl je blij zou moeten zijn met de mensen die je om je heen hebt. Het is moeilijk uit te leggen...

Dat is wat ik van de kinderen geleerd heb. Ik heb eigenlijk heel veel geleerd. Ook over mezelf. Bijvoorbeeld dat ik het heel leuk vind om met kinderen om te gaan. Ik wist niet dat zoveel met kinderen had. Hoe heerlijk ik het vond om voor de kinderen te zorgen, om een beetje voor ze te moederen, om er voor ze te zijn. En ook hoe machteloos je je soms voelt, want je zou zoveel meer willen bieden. Ik zou ze zo mee willen nemen. En tegelijk weet ik: zij zijn daar thuis. Dat heeft er bij mij wel toe geleid dat ik een ander soort thuis kan voelen. Alles wat wij hier hebben, heb ik niet nodig om me thuis te voelen. Dingen die heel belangrijk zijn, de contacten met mensen, plezier hebben in dingen, tevreden zijn met dingen, dat wordt vaak overschaduwd. Altijd meer willen, altijd gestress van dingen die eigenlijk niet nodig zijn...

Je zou je daar ook thuis kunnen voelen?
Ja, het is mijn tweede thuis geworden. Daarom wilde ik eigenlijk ook niet weg. Ik ben teruggekomen meer om de mensen die ik hier heb... Iedereen vindt het okee dat ik weg ging, al zouden sommigen je het liefste hier willen houden. Dat is moeilijk. Maar mensen leggen zich daar wel bij neer, voor dertien maanden. En dan zeg ik: nee, ik blijf nog een paar maanden langer. En elke keer had ik een excuus, nee ik wil nog een paar maanden blijven, Maar op een gegeven moment merkte ik dat ik veel ging missen. Ik was er nooit als er dingen gebeurden, leuke en vervelende dingen. Na anderhalf jaar ga je te veel missen van die mensen. Ik was zo gefixeerd op die kinderen, en moest mezelf erop wijze dat er ook nog andere mensen zijn waar ik mee verbinden ben. Die kon ik niet gaan verwaarlozen. En de kinderen... ik kan daar niet eeuwig blijven. De kinderen gaan op een dag ook weer weg. Dus dat was een moeilijk moment, om te beslissen: ik ga weer terug. Het voelde echt alsof ik ze in de steek liet. Ik voelde me er slecht over dat ik familie had, en dat ik zomaar weer weg kon gaan. Maar op een gegeven moment ben ik dat anders gaan zien: er zijn hier ook mensen die met je verbonden zijn. Er komen mensen op je pad, mensen die je een bepaalde tijd kent en waar je weer afscheid van neemt, maar er blijft altijd een bepaalde herinnering. En het is niet voor niets dat je op elkaars pad komt. Zij hebben mij dingen gegeven en ik heb hun dingen gegeven, maar het is vooral heel bijzonder dat we in die tijd er voor elkaar hebben kunnen zijn. En natuurlijk houdt dat weer op, maar we hebben elkaar iets meegegeven. Op het moment zelf of later, we hebben hoe dan ook iets betekend voor elkaar.

Ik heb wel dat ik nog heel veel kaartjes schrijf. Want ik weet hoe het voor hen voelt. Zij denken dat als je weg bent, je nooit meer aan hen denkt. En dan kun je nog zo hard roepen dat je ze nooit zult vergeten, dat kunnen ze gewoon niet geloven. Terwijl ik die kinderen echt in mijn hart heb zitten. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan hen denk. En als je dan via andere vrijwilligers een kaartje stuurt, dan zijn ze zo gelukkig. Ik weet hoe belangrijk dat voor ze is. En ze zullen niet terugschrijven want daar hebben ze de middelen helemaal niet voor. Maar het is heel belangrijk voor de kinderen. Daarom wil ik ook zeker nog een keer terug. Dat ze echt zien hoe belangrijk ze voor mij zijn.

Het gaat om het gevoel belangrijk te zijn...
Ja, maar het is tegelijk ook weer heel moeilijk om echt contact te houden. Nu ken ik ze nog allemaal, maar dat verandert natuurlijk. Er komen ook vrijwilligers die ik niet ken, en dan wordt het steeds moeilijker.

Spreek ik met iemand die helemaal terug is of met iemand die even terug is?
Dat weet ik niet. Dat weet ik echt niet. Ik heb wel voor mezelf besloten... toen had ik het gevoel: k draai me nu om en ik ga weer. (dat niet te doen dus?) Maar dat is meer een algemeen gevoel geworden. Ik zou heel graag terug willen naar dat weeshuis, maar misschien ook wel ergens anders heen. Ik weet dat er niet alleen in dat weeshuis kinderen zitten die een hoop nodig hebben. Op een gegeven moment was ik heel erg op dat weeshuis gefixeerd, maar er zijn in de wereld natuurlijk heel veel plaatsen waar iets gedaan kan worden.

In jouw verhaal klinkt ook heel erg door de persoonlijke band die ontstaat. Je kunt natuurlijk niet al het leed van de wereld op je gaan nemen.
Ja, dat is zo, maar mijn verblijf in Honduras heeft me wel veel meer open gemaakt voor dit soort dingen. Dat maakt het heel moeilijk om me hier in Nederland thuis te voelen, om mijn plek te vinden. Het voelt op dit moment het fijnste om meteen weer te vertrekken.

Nog steeds?
Het is minder, maar het gevoel is er nog steeds. Als iemand me zegt dat ik morgen naar Honduras kan, dan ga ik. Terwijl ik wel weet dat ik het hier de tijd moet geven. Dat leg ik mezelf ook op. Ik moet mezelf hier weer de kans geven, maar dan op mijn manier. Ik ga weer aan de slag, ik ga een plekje vinden, een huisje, mijn werk... en over anderhalf jaar ga ik weer eens luisteren naar mijn gevoel. Want nu is het helemaal niet realistisch. Het is nog veel te gekleurd. Dus dan ga ik eens kijken: wat vind ik er nou van? Heb ik hier mijn plekje gevonden? Mis ik iets? Zou ik nog iets anders willen? En dan weer eens een beslissing nemen over wat ik dan zou willen. Maar ik voel dat ik nu niet een besluit kan nemen. Het enige is dat Honduras voor mij wel speciaal zal blijven. Ik wil wel dat contact houden. Ook al is het van grote afstand, of alleen maar af en toe eens een kaartje daarheen... Kijk, de jongens worden wel groter en op een gegeven moment waait dat wel over, maar nu vind ik dat belangrijk en dan doe ik dat gewoon af en toe.

35:00

Wat doe je nu?
Ik wel aan het werk, maar niet als creatief therapeut. Ik zou het wel willen, maar er is gewoon weinig werk in te vinden, maar ik doe wel iets met jongeren. Dat heb ik er dan wel aan overgehouden, dat ik dat graag wilde, maar dan meer als groepsleiding. Wat ik in Honduras dus ook in de avonden heb gedaan,maar dan heel anders. Het valt niet te vergelijken. Hier werk je echt professioneel, dus het moet ook pedagogisch verantwoord allemaal. Daar deed je ook je best, maar daar ben je voor sommige kinderen een soort zus of een moederfiguur. Hier ben je gewoon groepsleiding. Daar is het contact veel nauwer, dat gaat gewoon automatisch. Dus het valt niet echt vergelijken, maar het is wel iets waar mijn interesse ligt. Ik wil het ook niet vergelijken – dat doe ik nog wel eens – vooral de eerste maanden. Ik moet het leuk gaan vinden, ik moet hier mijn plekje vinden, ik moet zo erg mijn plekje vinden dat het gewoon niet lukt.

Ben je een beetje ontworteld?
Ja, daar komt het wel een beetje op neer. Terwijl ik altijd heel duidelijk wist wat ik wilde: ik ga werken, huisje boompje beestje.. ik had gewoon zo’n lijn van wat vrienden en kennissen ook doen. Daar was ik altijd tevreden mee, zo wilde ik het. Niet dat ik nu een ontevreden mens ben, maar ik kijk er gewoon anders tegenaan. Ik heb zoiets van: is dát alles? Er is zoveel meer. Maar hoe het nou precies zit, dat kan ik niet precies uitleggen. Maar op een of andere manier is er door die hele ervaring iets gebeurd waardoor ik anders nu in het leven staat dan daarvoor.

Als je nu terugdenkt, en je mag één situatie of een voorval schilderen dat je het meest dierbaar is, wat zou je dan vertellen?
Er zijn zoveel dierbare momenten... even denken... het is heel moeilijk. Het hele geheel....Ik heb heel veel momenten die me dierbaar zijn, dat is ook logisch. Het zat ook heel vaak in de kleine dingen. Ik heb ook wel grotere dingen meegemaakt, dingen die ik met de kinderen heb ondernomen, maar ook in de simpele dingen zit het. Momenten die me heel dierbaar waren, waren bijvoorbeeld die momenten dat je dichter bij een kind wam omdat een kind dat meer toeliet. We gingen wel eens zwemmen verderop, en dan moest je een heel eind lopen door de bergen en de bossen en dat vond ik altijd vreselijk. Het was altijd zó warm, en je zweette enorm, en er lagen stenen op de weg, dus eigenlijk vond ik dat vreselijk. En daar kon je wel onderuit komen, want het was meestal op zondag. Maar ik ben toch een paar keer meegegaan, En een paar keer was dat zo bijzonder geweest. Je moet dat die hele wandeling maken en een heleboel kinderen die ben je zo kwijt, maar er zijn ook altijd wel een paar kinderen die bij je inde buurt blijven hangen en dat is vaak heel bijzonder. Dan loop je ook door die dorpjes en dan komen er verhalen los, dan vertellen ze van alles en ze vragen van alles. Het is net als in therapie, daar hebben kinderen ook meer die ruimte. Dat vond ik altijd zo bijzonder. Dat was voor mij heel bijzonder. Daarom ben ik echt een paar keer vaker meegegaan.

Ik ging ook altijd elke avond elk bed langs van mijn groep. Dat duurde ook altijd best lang. Heel vaak kwam de groepsleiding even informeren of het wel ging. Maar ik vind dat heerlijk; je komt bij al die bedden langs en dan is het altijd nog even wat vragen of nog even wat zeggen. Dat is altijd heel leuk.

Allemaal voorbeelden van nabijheid...
Ja, dat was heel bijzonder. En voor de kinderen is het ook iets speciaals. Ze zijn al altijd in een grote groep. Ik ook geprobeerd om dat echt belangrijk te maken.Net als de verjaardagen. Als er iemand jarig was in mijn groep, wilde ik dat per verjaardag vieren. Niet aan het eind van de maand met iedereen die in die maand jarig was geweest, wat gebruikelijk was. Want dan moesten ze weer samen delen. Ik vond: nee, het is jouw dag, jij staat in de aandacht. Ook om het een beetje het kind zelf belangrijk te maken. Ik heb geprobeerd daarin te investeren. De groep waarin ik zat heb ik ook een heel stuk versierd met allemaal gekleurde beesten, opdat de kinderen zich er thuis zouden voelen. Ik was altijd druk met dat soort dingen. Dat zijn allemaal dierbare momenten. Die kleine momentjes dat er even voor iemand kunt zijn.

Is er iemand die het stokje van jou heeft overgenomen?
Ja, op mijn werk is er iemand gekomen en ook op mijn groep.

Wat moeten we ons voorstellen bij jouw afscheid?
Nou ja, dat is sowieso een half jaar opgerekt, omdat ik niet weg kon. Toen moest ik wel omdat ik het niet langer kon maken om nog langer te blijven. En dat was gewoon heel zwaar. Het is allemaal een beetje automatisch gegaan. Want je moet wel op zo’n moment. Dus dan moet het ook allemaal maar gewoon. Dat is heel raar; je zit eigenlijk een beetje in een shock. Of waas.O ja,ik neem afscheid, dam ga ik dit en dat doen, en ik wilde voor elk kind nog iets doen en van de kinderen op therapie wilde ik nog afscheid nemen en dan ben je dus heel druk met alles regelen en je spullen pakken. Ik on eigenlijk niet echt afscheid nemen. En op een gegeven moment, uiteindelijk, ga je dan toch nog vrij snel. Je stelt het uit, ik wilde het er ook niet over hebben en de kinderen eigenlijk ook niet, maar op een gegeven moment is het wel zover. Dan moet je gewoon. En dan ga je gewoon. Maar dat gaat eigenlijk met een gevoel dat je niet voelt. Dat duw je gewoon weg. Dat moet ook wel, want anders kun je het ook niet. Alle vrijwilligers gaan met pijn en moeite daar weg. Ik heb nog nooit iemand daar fluitend weg zien gaan. Dat is altijd weer een groot drama. Het deed me ook altijd zoveel verdriet als andere vrijwilligers gaan. En ik weet wel: de kinderen zijn flexibel; die zijn het zo gewend dat mensen gaan en komen en het leven gaat gewoon door. Daar zijn ze heel sterk in. Maar ik weet dat er heel veel binnen in hen speelt. Ik weet ook dat toen ik weg ben gegaan, dat die kinderen gewoon door gaan. Dat was ook noen ik er nog was; ik heb dat zelf meegemaakt. Maar soms zijn er van die momenten dat ze zeggen: weet je nog dat die er was, die heeft toen dat of dat met ons gedaan. Dat vind ik super. Ze hebben het allemaal wel bij zich. En dan denk ik: als ik daar ook iets in heb kunnen stoppen, in dat hartje, dan ben ik daar heel blij mee. Hoe klein het misschien ook is.

Materialen voor de therapie... toen ik er net was, was er wel dingen verzameld,maar er was niet veel. Op zo’n moment ben je heel creatief; je zoekt ook materialen in de natuur, van alles. Ik vertelde dat we best vaak bezoekers krijgen die met donaties komen en dat het best belangrijk is om te vertellen wat je werk is en dat je daarvoor spullen krijgt die zo hard nodig zijn. Mijn opvolgster gaat nu bijna weg en dan kunnen we van hieruit regelen dat er met haar opvolgster weer dingen die kant op gaan die zo hard nodig zijn.

Hoe kwam je zelf aan je materiaal?
Ik heb heel veel uit donaties gekregen. Mijn ouders hebben ook weer spullen meegenomen toen ze kwamen.Iedereen weet dat je daar zit en die geven dat dan mee. Potloden, spelletjes... Die neemt dat dan mee. Dat is voor je therapie heel belangrijk dat je spullen hebt. Dat moet ergens vandaan komen. En de kindere hebben niet zo veel, dus als er dan en nieuw spelletje komt, is dat heel leuk voor de kinderen. Kinderen zijn ook echt heel erg blij met de spullen die ze krijgen; die gebruiken ze ook echt tot het op is of kapot.
Als ik terugdenk aan de kerst, dan krijgen de kinderen altijd nieuwe kleren die dan zijn gedoneerd. Een nieuw shirt, een broek, een bloes, schoenen... Dat is geweldig. Die jongens zijn altijd een beetje macho, en dan komen die broeken binnen, en we hebben de maten opgegeven en die worden dan uitgedeeld en dat trekken ze dat aan en dan zie je ze kijken: kijk eens wie ik ben. Dat geeft dan weer zoveel eigenwaarde. Omdat je bijna nooit iets krijgen kunnen de kinderen heel blij zijn met iets kleins. Een simpel T-shirt. Dat stelt niet eens veel voor. Ja, het is heel, en ze houden het even voor netjes, maar dan duurt niet lang want ze moeten het gebruiken. En dan zitten er zo weer gaten in. De kleding word echt goed gebruikt, laat ik het zo zeggen. Dat geeft ook een goed gevoel om spullen aan die kinderen te geven. Het komt heel goed terecht. Asls je hier iets geeft, kun je zomaar horen: o, dat heb ik al, o daar vind ik niets aan. Dan kun je alleen nog maar hele dure dingen geven en daar zijn kinderen dan nog niet blij mee. En daar is zoiets simpels als een nieuwe outfit... dat is genieten.

Ik kocht ook wel eens in de stad een pot haargel, en die had ik dan in mijn kluisje staan en in het weekend mochten ze allemaal wat gel in hun haar. Sommigen hebben het heel kort, of hebben van die krulletjes waardoor je er bijna niets van ziet, en anderen daar kun je een heel model in maken. Dan ging ik met de pot staan en dan mochten ze allemaal een likje lak en dat gingen ze dan in hun haar doen. Dat vind ik van die momenten... dat soort dingen daar heb ik heel erg van genoten. Dat is gewoon genieten. Dan lopen ze daar en dan zie ik mijn jongens daar zitten met hun haar heel mooi...